Toon

Frederieke is later, ze is vrijwel altijd later behalve als ze zoveel verlaat is dat ze geen tijd heeft om thuis te eten en haar eten in een bakje meeneemt naar de repetitie.
‘Ze doet geen moeite op tijd te komen,’ zegt Roos. En daar is de rest het mee eens, Frederieke is niet ijverig genoeg.

Roos wilde eerst voor de repetitie afspreken, Maaike had terecht opgemerkt dat ze wel een kwartier hadden voor Frederieke er zou zijn. Ahlem houdt zich stil, als nieuwste lid van het koor is de vreugde er onderdeel van te zijn nog groter dan de frustratie. Thea heeft het koor vijftien jaar geleden opgericht en Roos heeft nu al ruim een decennium met haar gezongen. Ahlem en Frederieke zitten er nu een paar maanden bij, nadat anderen het te druk kregen met (klein)kinderen. Ahlem houdt zich meer op de achtergrond, maar meteen was het duidelijk dat ze met Frederieke een goede solist binnen haalden. En dat is waar het nu op stuk loopt, ze moeten repeteren voor het zomerfestival. Frederieke laat het afweten.
‘Zonder haar gaat het sowieso niet door,’ zegt Roos.
‘Dat vind ik te kort door de bocht,’  zegt Maaike. ‘Een van ons kan de partij overnemen.’

Roos trekt haar wenkbrauw op naar Thea, ze hebben het eerder geprobeerd, maar juist wat hen onderscheidt van andere koren is dat ze een sterke solist hebben. Ze hebben nooit eerder zo goed geklonken.
Thea’s stem wordt ieder jaar een beetje minder en na de longontsteking van vorige winter raakt ze midden in de nummers buitenadem. Ze wil nog altijd graag schitteren op het podium. Dan maar op de achtergrond, toch staat ze er.

Woonwijk

Alle opritten lopen af naar de straat. Dat is zo gepland, zodat de boel een beetje netjes blijft. Eugene heeft de woonwijk laten realiseren, het zorgvuldig van de tekentafel door alle stappen geloodst. En alles klopt gewoon, precies hoe hij het wilde.
Zo’n oprit is handig, een volle vuilcontainer zet je net wat makkelijker aan de weg en het ontmoedigd kinderen op de oprit te spelen. Na tientallen speelgoedautootjes verpletterd te zien worden trekken ze zich terug naar de achtertuinen. Daar doet dat niets af aan zijn straatbeeld, achter de hoge schuttingen mogen ze doen wat ze willen. Ook skateboards, kinderwagens en boodschappenkarretjes kan men niet op de oprit laten staan, die is zelfs te stijl om de auto op te parkeren, waardoor de meeste buurtbewoners hem netjes in de garage moeten zetten. Bij de auto’s die langs de straat staan slaat Eugene ’s nachts de zijspiegels eraf.

Nu heeft het gesneeuwd, de auto’s kunnen de garage niet uit en groepjes kinderen sleeën van de opritten af, recht de straat op. Eugene heeft de bak strooizout al klaar staan. Vannacht gaat hij op pad, maar tot die tijd googelt hij hoe hij zo veel mogelijk kan bijdragen aan de opwarming van de aarde.

Cup

Op de salontafel staat verder niets, alleen de cup die mijn vader heeft gewonnen, als beste nieuwkomer bij een stand-upcomedy wedstrijd. Het was best wel een big deal, hij was op de radio en had in de krant gestaan. Hij heeft alles bewaard, zelfs zijn kostuum. Hij zegt dat je zoiets nodig hebt op het podium om echt even iemand anders te zijn. Hij noemt het het onderscheid tussen Wim en Willem. Wim was hij op het podium omdat hij Willem niet vlot genoeg vindt klinken. In het kostuum lijkt hij nog steeds gewoon op mijn vader.
Iedere avond komt hij naar beneden om zijn nieuwe stukjes voor te lezen. Mijn moeder pauzeert de televisie even. Hij heeft het kostuum weer aan. Soms vertelt hij een week lang variaties op hetzelfde stukje. Mijn moeder zegt altijd: Leuk Wim! Soms voegt ze daar een ‘Echt heel leuk’ aan toe.

Verkeersader

Harry draaide aan de volumeknop van de radio, dat deed hij altijd wanneer hij zich irriteerde. Het was 30 kilometer van zijn huis naar het werk, maar op de terug weg voelde het eerder als 130. Hij had al de hele dag achter zijn bureau gezeten en wilde lekker met een bord eten op de bank ploffen. Dat deden Miep en hij altijd en tijdens de afwas begonnen ze pas met elkaar te praten.
Nu zat hij weer met de radio te pielen, harder en zachter, het eind van een nummer verdween en hij hoorde het halve volgende nummer. Het was een uitdaging om dan alsnog de presentator te begrijpen. ‘Ugh,’ dacht Harry dan, ‘zo dom is dit programma dus, dat zelfs als je maar half luistert je het nog steeds kunt volgen.’
Harry vond dingen wel vaker dom, en daar werd hij boos van, dan irriteerde hij zich. Zoals aan collega’s die vergaten bijlages bij hun mails te sturen, of niet meer wisten waar ze de nietmachine hadden gelegd. Of dan de gesprekken die ze voerden, gatver, dat was pas verschrikkelijk.
Harry was het elke dag zo zat dat hij extra hard het autoportier dicht smeed. En dan ging het weer even tot hij vast stond bij het stoplicht, waar zo nodig iedereen van de snelweg de dorpsweg op moest draaien. Allemaal van die rotmensen die een sluiproute nemen. Hij had er een hekel aan, aan domme mensen, vooral als hij er last van had. Hij had er vooral een hekel aan dat hij zelf weer elke dag in die domme file stond, en naar dat domme kantoor ging, als een domme man.

Stoel

Telkens als Egbert zijn stoel aanschuift, bonkt hij met zijn knieën tegen de knieën van Marie of tegen de zittingen van de andere stoelen. Hij trapt op kleine blote voeten waardoor een van de kinderen weer begint te gillen. Hij probeert zijn benen onder de stoel te vouwen en krijgt de nagels van de kat in zijn kuit.
De tafel was een huwelijkscadeau geweest. Marie en hij hadden er jarenlang in de avond aan gepuzzeld, de puzzel aan de ene kant van de tafel en op het uiteinde nog net genoeg ruimte voor hun twee borden. Onder tafel hadden zijn voeten de hare gezocht, tijdens het wandelen hielden ze elkaars handen vast, tijdens het eten elkaars voeten. Er hadden nooit meer dan twee stoelen aan de tafel gestaan, tot Marie het tijd vond om de ruimte om de tafel te vullen.
De laatste keer dat hij probeerde te puzzelen kwam er oude appelmoes aan de stukjes. Marie had erom gelachen en haar vingers afgelikt. Egbert walgde daarvan. En toen er geen ruimte meer was om alle puzzels op te bergen, had Marie ze weg gedaan, omdat ze ze nu toch niet meer gebruiken.
Egbert voelt hoe zijn knieën stijf worden, hij moet aan tafel blijven zitten tot iedereen zijn bord leeg heeft.

Idioot

De idioot strikte zijn veters op zo’n ingewikkelde manier dat niemand het kon volgen. In plaats van een nette strik maakte hij een ingewikkelde knoop. Het werkte, daar werd niet aan getwijfeld. Niemand zag hoe de idioot die knoop er weer uit kreeg. Dat deed hij thuis in de avond. Met een spotje op de knoop gericht, haalde hij hem er heel voorzichtig uit, de perfecte afsluiting van de dag. Wanneer hij nieuwe schoenen moest kopen, liep hij op zijn sokken naar de schoenwinkel. Als er eenmaal een knoop in de nieuwe veters zat was de koop rond.
De idioot werd prima behandeld in het dorp, ja men noemde hem de idioot, maar niet op een vervelende manier. Het was immers hun idioot, een idioot die precies bij hun dorp paste. In de zomer zat hij in een versleten tuinstoel onder een boom op het kerkplein. In de schaduw van de boom speelden buurkinderen. Kinderen waren overigens de enige met wie de idioot sprak. Zelfs als een volwassene hem groette, negeerde hij dat. Ze wisten niet waarom, er werd gefluister over de pure kinderziel. Een moeder had geprobeerd om haar dochter te instrueren het aan de idioot te vragen, maar die hoorde de volwassen klank van de vraag en weigerde te antwoorden. Toen het meisje vroeg waarom, zei hij dat haar moeder haar neus uit zijn zaken moest houden.

Thuis komen

Het hangt af van hoe graag ik thuis wil zijn, wanneer ik mijn sleutel uit mijn broekzak haal en hem in mijn hand houd.
Toen ik nog naar de universiteit ging, pakte ik meestal mijn sleutel al voor ik de trein uitstapte. Als er in de stad iets naar me geroepen word pak ik mijn sleutel, misschien om te doen alsof ik al bijna thuis ben.

Ik kom de laatste tijd aanzienlijk minder thuis. Ik doe een keer in de week boodschappen en soms was dat de enige keer dat ik naar buiten ging. Niet uit angst voor een besmetting of iets dergelijks, ik kwam niet op het idee. En na een tijdje merkte ik dat het moeilijker werd de deur uit te gaan. Dat het vreselijk ingewikkeld leek mijn schoenen helemaal aan te trekken, ook nog een jas aan te doen en mijn sleutels te pakken, dan de trappen af, de zware voordeur zachtjes achter me dicht doen. Ik pakte na het afrekenen in de supermarkt en het inpakken van mijn tassen mijn sleutel of streek in ieder geval even met mijn vingers over mijn broekzak om te voelen of ie er nog zat. Tot ik het een beetje belachelijk vond worden en me eroverheen besloot te zetten. En nu loop ik elke dag in ieder geval een klein rondje, ik heb zelfs twee buurkippen ontdekt die ik nu elke dag groet. Het is een fijn klein rondje, soms overweeg ik het zelfs wat groter te maken, maar ik doe het niet. Hoewel ik het buiten fijn vind en het makkelijker is om op pad te gaan, houd ik toch het meest van thuis komen.

Bewust onbekwaam

Een wiskundeleraar tekende een grafiek op het bord, eerst steeg de lijn een stukje om daarna snel naar beneden te gaan, bijna de x-as te raken en daarna met horten en stoten omhoog te klimmen. Hij deed het om ons moed in te spreken. Een wiskundeles op de universiteit waar hij ons uitlegde dat hij dit altijd bij studenten zag gebeuren, hoe ze na initieel enthousiasme vast liepen en daarna in een ‘depth of despair’ kwamen, maar dat we vertrouwen konden hebben dat het wel weer goed kwam. Ik moet er vaak aan denken, bij elk vak wat ik volg gaat het zo. Nadat ik vol enthousiasme begin, raak ik in de stress en voel ik me een domme gans*, en dan begint er iets te dagen. Langzaam, maar inmiddels weet ik dat het voor het tentamen altijd wel goed komt. Op de schrijfopleiding die ik hiervoor deed werd geen grafiek getekend, maar het idee van Maslow uitgelegd. Je begint onbewust onbekwaam, daarna wordt je bewust onbekwaam (het punt waarop de grafiek naar beneden gaat), vervolgens onbewust bekwaam, en tot slot bewust bekwaam. Die laatste twee punten zijn denk ik te vergelijken met bang zijn dat je het tentamen niet haalt en vervolgens een hoog cijfer halen. dan heb je de bevestiging dat je de stof beheerst.

Wat ik vermoeiend vind aan studeren is dat je deze cyclus heel snel achter elkaar herhaalt. In Wageningen heeft het collegejaar zes blokken (vier van acht weken en twee van vier weken), en elk blok merk ik weer dat ik deze cyclus doormaak, inclusief de enorme stress. Bij schrijven is het anders, daar ben ik graag bewust onbekwaam. Het verschil is voor mij dat ik als schrijver geen waarheden hoef te verkondigen, dan kun je beter een wetenschappelijk artikel lezen. Juist het niet weten of niet begrijpen van sommige zaken geeft er een bepaalde magie aan. Zo heb ik een tijd een fascinatie voor prinses Beatrix gehad. Toch heb ik nooit informatie over haar opgezocht en weet ik erg weinig van het koningshuis. Het koningshuis interesseert me ook helemaal niet, ik denk zelfs dat Beatrix me niet echt interesseerde maar dat ik net genoeg informatie had om er lekker mijn gedachten over te kunnen laten zwerven. En zo is het ook met walvissen, ik vind walvissen fantastisch, maar ook een beetje magisch. Ik kan niet geloven dat zoiets als een blauwe vinvis bestaat, dat is te groot, en past niet in mijn hoofd. Toch kijk ik geen documentaires over walvissen of lees ik er niet over, ik ben bang dat het de magie zou verpesten. Ik wil me kunnen verwonderen me dingen over walvissen af kunnen vragen zonder een antwoord te weten en daar oké mee te zijn. Natuurlijk kan ik me inlezen, maar ik ben erg content met het bewust onbekwaam zijn. Misschien ook omdat kennis vaak een verantwoordelijkheid met zich mee brengt en ik me daar niet aan wil wagen.

* Niets ten nadele van ganzen uiteraard

Een levensgroot probleem

Sommige woorden zijn gewoon niet handig. Er moeten op de basisschool leerkrachten rondlopen die ieder jaar weer leerlingen laten lachen met een plaatje van iemand op die op een bankgebouw zit met de tekst ‘Ik zit op de bank’. Of zoals de ontdekking van de dubbele betekenis van kussen. Nu zou dat al onhandig genoeg zijn, maar meestal kun je uit de context wel duidelijk maken wat er gezegd wordt. Het woord waar ik vandaag over wil klagen is ‘levensgroot’.

Het woord levensgroot kan namelijk betekenen dat iets op ware grootte is, maar ook dat iets enorm groot is. En juist omdat die twee betekenissen redelijk dicht bij elkaar liggen vind ik het irritant. Bijna zo irritant als wanneer mensen zeggen ‘wat is wijsheid’ maar daar gaat het nu niet om.

Op etymologiebank.nl vind ik dat het woord levensgroot oorspronkelijk alleen heel groot betekende. En ik vraag me af hoe dat is gegaan. Zou het woord populair zijn geweest, steeds meer gebruikt en dat mensen dan langzaam gingen overdrijven met hun overdrijving. Zoals dat ze een levensgrote spin zagen, terwijl het eigenlijk een spin van heel normaal formaat was. En ik vraag me af of die overdrijving zo vaak is gebruikt dat het woord een extra betekenis kreeg. Misschien eerst alleen bij bepaalde mensen. Zoals je bijvoorbeeld weet dat persoon X altijd overdrijft en zegt 10 uur gelopen te hebben terwijl ze tien minuten door de regen heeft gedrenteld. Zodat de tweede betekenis eerst bij persoon X hoorde en langzaam de overhand kreeg.

Dan is er nog de vraag wat je aan dit woord hebt. Het lijkt me vooral te gebruiken voor iets dat van de werkelijkheid is nagemaakt, zoals een levensgrote walvissculptuur. In het geval van een walvis kunnen dan ook mooi beide betekenissen gebruikt worden zonder met elkaar te botsen, want walvissen zijn nu eenmaal levensgroot. Maar als het gaat om de eerder genoemde levensgrote spin is het dus belangrijk om naar de context te luisteren.
Stel dat iemand zegt: help een levensgrote spin (op dit moment weet je nog niet of je hier naartoe moet rennen of dat je rustig je kopje thee kunt opdrinken) die me begint op te eten. Juist dit tweede deel van de zin is belangrijk nog steeds weet ik niet of ik het in zo’n situatie zou aanraden hulp te verlenen, maar ik ben nu eenmaal een watje.

Waarom ik de laatste tijd zo vaak het Wilhelmus zing

Als er iets is waar ik een grondige hekel aan heb is het de uitspraak ‘zo moet je niet denken’. Ik heb hem best vaak gehoord, goed bedoeld weliswaar, maar toch ontzettend irritant. Ten eerste is het bijzonder lastig om niet op een bepaalde manier te denken, of niet aan een bepaald onderwerp. Daarnaast heb ik het idee dat zoiets vooral gezegd wordt, of in ieder geval tegen mij, in situaties waarin het duidelijk is dat ik ook niet erg tevreden ben met mijn gedachtegang.

Neem bijvoorbeeld een studieopdracht, waar ik over in zit. Soms vind ik het onderwerp leuk en heb ik zin om eraan te werken maar wil ik het dan zo graag goed doen dat ik telkens opnieuw begin. En langzaam begint dan de gedachte op te komen dat ik het ook eigenlijk allemaal niet kan, dat ik een sukkel ben, dat ik nu door de mand val. Een reactie die ik eerder veel op dit soort situaties heb gehoord is het typische ‘zo moet je niet denken’. Dat is juist wat me zo frustreert, ik begrijp ook dat dit niet alleen niet productief is, maar bovendien ook gewoon heel erg ongezellig. Het is me echter nog niet gelukt om dan tijdens zo’n opdracht heel actief niet te denken dat het me niet gaat lukken. Natuurlijk, soms pep ik mezelf op, en probeer ik in mijn hoofd als een soort cheerleader mijn andere gedachten te overschreeuwen. Dat is vooral erg vermoeiend. Bovendien worden de onaardige gedachten er alleen maar onaardiger van.

Nu probeer ik de laatste tijd iets nieuws. In plaats van tegen de gedachten in te gaan, of heel hard te proberen ze te negeren, maak ik er liedjes van. Het oorspronkelijke idee is volgens mij om zo’n gedachte in een zin op te schrijven en dat vervolgens op de melodie van een kinderliedje te zingen. Dat met die kinderliedjes werd hem niet, die ken ik niet goed genoeg, en ik weet niet waarom maar de eerst volgende optie die me te binnen schoot was het Wilhelmus. Dus nu zing ik vooral in de periode voor de tentamens met grote regelmaat het Wilhelmus, uit volle borst, met teksten zoals: Ik ga mijn tentamens niet halen want ik ben veel te dom. Terwijl ik dat dan zo zing op die gedragen klanken, voel ik me redelijk belachelijk, maar wordt tegelijkertijd die zin belachelijk. Ik kan de gedachte dan gewoon niet meer serieus nemen. Vooral niet wanneer ik me voorstel dat Willem-Alexander het telkens opvangt als iemand ver weg het Wilhelmus zingt en als een konijn zijn oren spitst. En hoe hij dan verbaasd zijn hoofd schudt en dan weer belangrijke koninklijke dingen gaat doen, terwijl hij zich een heel klein beetje druk maakt over mijn tentamens.