Lievelingsdier

Jaar na jaar stonden de dolfijnen boven aan, daaronder paarden, katten, honden en later veel later wamen pas de kleine zoogdiertjes. En dan nog weer veel veel later kwamen de goudvissen. Niemand die eens trots over zijn goudvis vertelde. Goudvissen zijn nu eenmaal niet knuffelig.
Door hun beperkingen zijn ze niet in staat op je af te komen rennen als je thuis komt, met je te spelen of je te knuffelen als je verdrietig bent. En dus begonnen de wijste aller goudvissen te denken, en de dapperste aller goudvissen te experimenteren. Hoeveel vissen hun leven niet hebben gegeven met een wanhopige sprong uit de kom, een wanhopige poging om contact te zoeken. Er zijn massa’s goudvissen achter kasten gevallen om de volgende ochtend helemaal droog terug gevonden te worden of ten prooi gevallen aan katten.

Nu was er een groot aquarium waar al lang een wijze goudvis woonde die heel diep nadacht over de dingen, alles was een beetje trager geworden en zijn eigenaar leek het leuk voor hem als hij wat gezelschap zou krijgen. De goudvis kreeg gezelschap van een jonkie, maar half zo groot als hij, maar vlug en speels en wild. Hij smeet de steentje in het rond, zwom voor de ruit snel heen en weer om de aandacht van de mensen te trekken. De oude werd er gek van, zat hij net rustig in het grotje te denken, kwam die nieuwe erbij, gewoon even erbij was nog tot daaraantoe, maar die ging nooit gewoon stil zitten. En al die onrust had effect op de oude, hij werd er ook onrustig van, en uit zijn wanhoop om aan de nieuwe te ontsnappen, sprong ook hij uit de kom. Midden in de sprong dacht hij heel even ‘ik heb het’, maar hij kon het de nieuwe niet toeschreeuwen, want goudvisstemmen dragen niet ver zonder water.

Schuilplaatsen

  1. uit de wind tegen een paaltje aan waar het gras hoog is omdat er niet goed met de machine gemaaid kan worden
  2. in de kettingkast van een weesfiets, voor wat extra geborgenheid kun je je terugtrekken tussen de schakels van de ketting
  3. in de stofpluizen die ontstaan als het een tijd niet geregend heeft en die door de wind worden rond geblazen
  4. tussen de stenen onder de treinrails en dan zachtjes in slaap gesust worden door het gedreun
  5. in de lege konijnenhokken die in achtertuinen staan te rotten, maak een nestje van de oude restjes stro en plukjes haar
  6. in het profiel van de stoere laarzen van je buurmeisje waarmee ze nooit over onverharde oppervlakten loopt
  7. in de lege brillenkoker van de bril die altijd gedragen wordt, plooi het brillendoekje over je heen
  8. in het kliksysteem van de middelste gordel van de achterbank
  9. in de kerststal die ook met kerst niet meer van zolder wordt gehaald
  10. in de champagneglazen, laat je lekker loom in de bolling liggen
  11. in het stukje van je rug waar je met je eigen handen net niet bij kunt zonder iets te verrekken zodat je alleen door een ander gevonden kunt worden

Verraderlijk lichaam

Mijn moeder stond naast mijn halfhoogslaper, waardoor ze me makkelijk kon aankijken terwijl ik in bed lag. Ik zat nog op de basisschool, ergens halverwege, groep vier of vijf, dus moet ik een jaar of acht zijn geweest.
De afspraak was dat we uit school een glas limonade mochten drinken en een snoepje uit de droppot pakken. Dat ene dropje was iets belangrijks, daar kon je naar uitkijken, en je moest er zuinig mee zijn. Er voorzichtig op zuigen, niet kauwen, om er zo lang mogelijk mee te doen. Tot ik bedacht dat ik er natuurlijk ook meer dan één kon pakken. Ik weet nog dat het kokindjes waren, die zachte zoete kleine bultjes, die je plat kon drukken voor je ze opat. Ik pakte er drie en stopte er een in mijn mond en twee in mijn broekzak, mijn rechterbroekzak. En snel ging ik naar boven, naar mijn kamer.
Mijn moeder vroeg of ik zeker wist dat ik maar één snoepje had gepakt. Ik was vast besloten alles te ontkennen, en mijn rechterhand streek helemaal uit eigen initiatief over mijn broekzak met de verborgen dropjes en daardoor werd ik betrapt. Hoe het verder ging staat me niet bij, ik zal wel een beetje op mijn kop hebben gehad. Ik weet nog wel dat dat de eerste keer was dat ik me ervan bewust was dat mijn lichaam me verraadde.

Ik koop geen drop omdat ik geen maat weet te houden en een zak in een keer leeg eet, ook dat zou je als verraad van mijn lichaam kunnen zien, maar het gaat mij om iets kleiners. Het gaat niet om een pukkel die juist op de dag van een feestje doorbreekt of een stem die hapert juist als je voor publiek moet zingen, het gaat om de neigingen van mijn lichaam om gedrag te vertonen wat ik juist wil onderdrukken.

Bijvoorbeeld wanneer ik aan het wandelen ben op een plek waar ik kom om vogels te horen, en hoe daar dan ineens mensen met zo’n draagbare box muziek aan het luisteren zijn, die niet alleen niet bij mijn smaak past, maar bovendien alle vogels onhoorbaar maakt. Mijn lichaam trekt zich daar niets van aan, en terwijl ik me loop te ergeren, merk ik dat mijn passen precies de maat van de muziek volgen.
Of nog zo’n voorbeeld ik kijk een film met iemand en de hele film zijn we al aan het zeuren over hoe slecht en sentimenteel de film is. En toch, hoewel ik alle trucs doorzie, krijg ik ineens tranen in mijn ogen en kippenvel bij de afscheidskus, of het emotionele Disney nummer.

Op dat soort momenten ben ik me er van bewust dat ik geen flauw idee heb wat er in mijn lichaam gaande is, en vraag ik me af of mijn microben een coup plannen.

Handleiding (1)

Zoek van te voren uit op welke dagen het afval wordt opgehaald. Schrijf dat op een briefje en stop het in je broekzak. Ga vroeg weg zodat je hopelijk binnen bent voordat de buren je in de gaten hebben. Ga na hoe ze ook alweer heten; Tini en Ewout links, daarnaast Walter en tegenover Joachim met Saskia. Bedenk een antwoord op de vraag hoe het gaat. Stap in de trein, vergeet je identiteitsbewijs niet, waarmee je zo een auto gaat huren. Lees in de trein de laatste e-mail die je van je moeder hebt ontvangen. Kijk naar de vrolijke foto die ze van haar en je vader in de kerstnieuwsbrief heeft gezet, herinner je dat aan de rechterkant van de kerstboom, net buiten beeld, de kerststal met de stenen figuren staat. Lees hun jaarverslag wat ze aan al hun familie en vrienden hebben gestuurd. Zucht even, maar niet zo diep dat medepassagiers het kunnen horen en je vragende blikken toe werpen.
Lees op je telefoon het echte nieuws in plaats van het familienieuws. Overweeg terug te gaan. Onderhandel met jezelf, dat je het toch wel verplicht bent, en dat je anders misschien spijt gaat krijgen. Vraag je af waar je de rouwkaart neer hebt gelegd. Vraag je af waarom je op het laatste moment toch niet bent gegaan. Denk heel heftig aan chocolade karameltaart, zodat je de laag karamel haast kunt proeven. Denk aan het fluffige van de taart, hoe de cake een beetje indeukt als je er met je vorkje op drukt. Denk aan de lange karameldraden die uitgetrokken worden als je er een puntje uit snijdt. Denk aan het koele vorkje in je mond, je lippen die eromheen sluiten. Denk aan hoe de vork uit je mond glijdt zodat het stukje taart op je tong ligt. Denk aan zoet.

Draai de radio zachter als je de straat in rijdt. Twijfel even of je het wel zult herkennen. Herken de in dierenvormen gesnoeide buxusstruiken. Merk op dat die nu wel bijgewerkt zullen moeten worden. Parkeer de auto niet op de oprit, maar langs de straat. Kijk even om je heen voor je uitstapt. Herhaal het antwoord op de vraag hoe het met je gaat. Haal de huursleutel uit de auto, berg hem op en pak je eigen sleutelbos. Voel welke sleutel je moet hebben en pak hem stevig vast. Steek dan gauw de straat over en ga langs het hek naar binnen. Loop in een rechte lijn over het mossige gras naar de deur. Voel elke stap veren, laat het mos je vooruit drijven. Steek de sleutel in het slot en duw zachtjes tegen de hardhouten deur. Merk op dat er geen kranten liggen. Ruik voorzichtig, verwacht angstig een lijkengeur, herinner je dat je niet weet hoe lijken ruiken. Herinner jezelf aan de lichamen die netjes onder de grond zijn gestopt. Loop toch snel door de woonkamer en de keuken en zet alle ramen open. Laat je jas aan en laat de slaapkamerdeur dicht. Bekijk de keurig gesorteerde stapels post op de keukentafel. Voel je telefoon in je broekzak trillen. Wacht tot die is uitgetrild. Kijk dan voorzichtig naar het scherm. Zet je telefoon uit.

Marmottenlof

Juffrouw Roos komt met een groot Curver krat het klaslokaal binnen. Alle leerlingen zitten netjes aan hun tafeltjes, de enige dag dat ze al klaar zitten voordat de juf er is. De brutaalste hebben een extra broodtrommeltje op hun tafeltjes gezet, altijd dezelfde, dezelfde kinderen die hun hand opsteken nog voordat Roos de vraag heeft gesteld. Soms schreef ze een som op het bord en hoorde ze Lowieke het antwoord zeggen voordat zij iemand de beurt had kunnen geven.
De diertjes piepen in het krat, ze hoort hun nageltjes over het krantenpapier krassen. Ze had vorig jaar een doorzichtig krat gebruikt, maar dat was toch niet handig. Na een tijdje waren de dieren zo onrustig geworden dat er gevechten uitbraken, uiteindelijk was een van de beestjes dodelijk gewond geraakt. Dat zorgde dan weer voor onrust onder de leerlingen.

Niet alle ouders zaten er natuurlijk op te wachten dat hun kinderen met meerdere beestjes thuis kwamen. Roos gaf in de nieuwsbrief aan dat de diertjes terug gebracht konden worden naar de dierenwinkel of de kinderboerderij, maar sinds een aantal ouders een taxidermist hadden gecontacteerd bood die een groepskorting aan. In de nieuwsbrief zat een coupon waarmee ze de korting konden krijgen. De diertjes zouden dan binnen drie dagen bij de ouders opgehaald worden. Sommige ouders hadden al een tankje gas klaar staan om de diertjes mee te bedwelmen, die gingen dan meteen de vriezer in en werden bevroren opgestuurd.

Om kwart voor drie is het zo ver. De hele dag hebben de kinderen steeds blikken op het krat geworpen. In de pauzes heeft Roos een hand met brokken in de bak gegooid. Ze gaat voor de klas staan, het papier in haar handen. Er staat een hele lijst met namen en daar dan een prestatie achter. Het hardst gegroeid is Leonie, ze is verbaasd, en stapt naar voren, ze mag zelf een beestje uit de bak pakken. Als eerste van de kinderen mag ze in de bak kijken en de anderen kijken naar haar om te zien wat zij heeft gezien, wat voor beesten er in de bak zitten. Daarna volgen er marmotten voor het beste in rekenen, in aardrijkskunde, geschiedenis, taal, muziek. Dan nog voor het minste keren ziek, daarna voor altijd op tijd en de mooiste spreekbeurt. En zo gaat ze de hele lijst af. Pieter heeft zes marmotten gekregen, netjes in de broodtrommel die al klaar stond. Misschien zitten er nog wat kruimeltjes van zijn boterhammen in. Jacob heeft zijn marmot in de zak van zijn vest gestopt. Hij had er niet op gerekend, maar zijn spreekbeurt over prikkeldraad was erg indrukwekkend.

Soms een beetje

‘Ik word soms gewoon een beetje gek van je,’ zegt Pieter.
‘een beetje?’ vraagt Toby.
‘en soms,’ zegt Pieter weer.
‘Dat vind ik niet onredelijk,’ zegt Toby, ‘het geeft niet.’

Pieter zucht, hij bijt op zijn lip en kauwt er een velletje af.
‘Soms bijvoorbeeld van de manier waarop je je handen gebruikt,’ zegt Pieter.
Toby kijkt naar zijn handen, hij draait ze om.
‘Ik bedoel hoe je ze gebruikt als je praat,’ zegt Pieter.
Toby kijkt weer naar zijn handen. Hij is een man van grote gebaren die bij etentjes altijd aan het hoofd van de tafel moet zitten omdat hij anders met zijn ellenbogen in andermans soep zit.

‘Je praat altijd met je handen, zelfs aan de telefoon.’
‘Ja ik praat altijd met mijn handen, met gebaren, een groot deel van de communicatie is non-verbaal.’
‘En soms word ik daar gek van,’ zegt Pieter.
‘Maar niet altijd dus.’
‘Nee,’ zegt Pieter, ‘niet altijd.’
‘Maar ik doe het wel altijd,’ zegt Toby.
‘Nu niet,’ zegt Pieter. Toby staat met zijn armen strak langs zijn lichaam, er is alleen soms een kleine beweging te zien in zijn ellenbogen, maar die zet niet door.
‘Nee nu niet.’
Toby wacht even, ‘is dat beter dan, als ik het niet doe?’
‘Voor mij hoef je het niet aan te passen.’
‘Maar als jij soms een beetje gek van mij wordt. Dan is het misschien beter als ik het afleer.’

‘Het zijn niet alleen je handen,’ zegt Pieter. Toby heeft zijn armen inmiddels achter zijn rug gestoken een beetje zoals nonchalante schaatsers op lange afstanden rond rijden.
‘Maar dus onder andere mijn handen.’
‘Het is denk ik meer mijn probleem dan iets waar jij iets aan moet doen.’
‘Maar misschien is het wel iets heel kleins, wat ik makkelijk kan aanpassen, zoals mijn handen, of als je een bepaalde trui niet mooi vindt.’
‘Nou goed dan. Bijvoorbeeld dit gesprek. Dat ik dan niet even iets kan zeggen zonder dat we er uitgebreid over moeten praten.’ Pieter laat even een pauze vallen, ‘Of bijvoorbeeld wanneer je dan in bed ligt maar nog wel wakker bent en dan heel diep ademhaalt. En dan dat je er nooit iets van zegt dat ik met mijn natte koffielepeltje in de suikerpot ga, terwijl ik weet dat je dat vreselijk vindt. En dat we nooit iets kunnen eten zonder dat je de muziek bij het gerecht wil matchen. En soms word ik daar gewoon een beetje gek van.’
‘Gelukkig alleen maar soms.’
‘Ja inderdaad.’
‘En een beetje.’
‘Hmm hmm.’ Pieter knikt, hij neemt nog een slok van zijn koffie.

Beurtbalkje

Er zit een zeurende pijn in zijn rug, een nieuwe pijn, in het midden van zijn ruggengraat. Iedere keer als hij zich bukt om het volgende product op de band te leggen, zucht hij een beetje. Er ligt een stokbrood, Boursin (3 pakjes want er was een aanbieding), een komkommer. Hij bukt zich om de ene grote tomaat te pakken die in de hoek van het mandje ligt. En daarna nog het zakje sperziebonen met 35% korting. Officieel zijn ze tot vandaag houdbaar maar het zal wel gaan, en dan bukt hij voor de een na laatste keer om een pakje spekjes met de datum van vandaag te pakken. Hij zal het vandaag in ieder geval allebei opbakken. Dan kan het nog wel een dagje extra mee. Hij bukt de laatste keer om het mandje op de stapel met mandjes aan het begin van de band te zetten.

‘Goedemorgen meneer,’ zegt de jongen achter de kassa. Hij zal begin twintig zijn en is hier altijd aan het einde van de dag, waarschijnlijk werkt hij naast zijn studie hier. Jan knikt terug. ‘Heeft u weer wat lekkers uitgezocht?’ vraagt de jongen. Jan knikt weer en lacht naar de jongen. Ondertussen haalt de jongen de producten over het bliepende scanapparaat. Op het scherm dat naar Jan gericht staat, ziet hij het lijstje met producten groeien. De Boursin verandert van prijs op het moment dat het derde bakje over de scanner wordt gehaald. Jan voelt even een enthousiaste kriebel in zijn buik, een klein vreugdesprongetje van een van zijn organen. Hij houdt zijn adem in als de sperziebonen gescand worden. Soms pakt het stickertje niet en dan moet je goed opletten dat je niet te veel betaalt. Op het scherm verschijnt de oude prijs maar die is doorgestreept en daaronder staat de nieuwe prijs. Dat scheelt 53 cent en dat op alleen maar bonen. En dan de spekjes nog, de jongen doet het eerst verkeerd en scant de gewone prijs, maar nog voor Jan hem daar op kan wijzen, corrigeert hij zich en haalt de sticker ook nog over de scanner. Het scheelt 47 cent op de spekjes. En daar kan hij net als met de bonen toch weer twee dagen mee doen. Bovendien als hij het in een keer kookt en bakt scheelt het weer gas, wat hij nog kan omrekenen, maar dat doet hij nu nog niet.

De jongen achter de kassa noemt het totaalbedrag, en Jan zoekt in zijn portemonnee naar de juiste munten. Hij telt het rustig uit, op deze tijd is er verder toch niemand in de winkel. Hij voelt het gewicht van de munten in zijn hand en knijpt die snel even dicht voor hij hem uitsteekt en in de hand van de jongen leeggiet. De jongen heeft altijd koude vingers, hygiënisch, afstandelijk, schoon. De munten moeten warm voor hem aanvoelen, de portemonnee zat immers in Jans broekzak. Jan krijgt twee muntjes terug. Weer knikt hij naar de jongen. Dat heeft hij met zichzelf afgesproken, dat het goed is zolang hij niets zegt.                                                                                                                                                                                                                                                                                                               

Vrijdagmiddag

Boven op het stroomkastje zit Janey, haar benen bungelen over de rand. Ze draagt witte gympen, die ook na een maand dragen nog steeds spierwit zijn. Op zondagochtend poetst ze ze met een oude tandenborstel en een sopje met Biotex. Toen ze vorige week door de regen naar huis fietste, schuimden haar schoenen.
Ze heeft een licht blauwe spijkerbroek aan met op de knie een scheur waardoor haar huid te zien is. De broek is opgerold en er is een bloot randje tussen het einde van haar broekspijp en haar schoen te zien. De pijpen zijn met twee steekjes vastgezet door haar moeder, die wilde ze niet afknippen, want ‘bij de volgende mode kan ik ze er niet zo weer bij aan knippen’ had ze gezegd. Ze draagt een licht geel T-shirt wat losjes in haar broek gestopt zit. Tegen het kastje aan leunen Sam en Mirte. Sam heeft een hand om de enkel van Janey en streelt het stukje blote vel zachtjes.
‘Ze zou hier om drie uur zijn, ik had haar nog geappt.’ Mirte moet tegen de zon in kijken als ze tegen Janey praat, ze knijpt haar ogen tot spleetjes.
Janey zucht, ‘duurt lang,’ zegt ze. Mirte giechelt zenuwachtig en laat haar vinger over de kiezels in het beton van het elektriciteitskastje gaan.

Het duurt nog zeker tien minuten voor Karin aan komt fietsen. Haar shirt plakt tegen haar lijf. Ze springt van haar fiets en laat die gewoon omvallen op de straat. Iets van het metaal blijft nog even na trillen. ‘Sorry, sorry Janey. Mijn vader gaat normaal altijd om vier uur hardlopen, nu vond hij dat we moesten praten.’
Janey schudt haar hoofd. Haar donkere krullen veren heen en weer. ‘Dus jij moest nog even bij je papa zijn.’
Karin haalt haar schouders op. ‘Ik had wel eerder kunnen gaan, maar dan gaat hij de hele tijd vragen waar ik ben geweest enzo.’

Sam laat zijn ogen over Karen heen glijden, ze is net wat kleiner dan de rest van het groepje. En draagt een felgroen shirt aan met sterren erop in plaats van de pasteltinten van de andere meisjes. Ze heeft geen bh aan, dat kan hij zien, hij weet het ook van andere dagen dat er soms net een beetje een tepel door het shirtje prikt. Hij blijft Janeys enkel aaien en luistert niet echt naar het gesprek. Soms laat hij zijn hand afdwalen naar haar kuit, de broekspijpen zijn zo wijd dat hij zijn hand er gemakkelijk een eindje in kan laten glijden. Hij voelt de stoppels als hij tegen de haarrichting in aait, hij draait zijn gezicht naar de voet, kust haar enkel terwijl hij zijn hand over haar kuit laat glijden. Janey leunt voorover om naar hem te kunnen kijken, ze giechelt. Mirte kijkt boos naar Karen.

‘Wij gaan even, Mirte en jij blijven hier,’ zegt Janey, terwijl ze van het kastje afspringt.
‘En deze dan?’ vraagt Karen met het pakje shag van haar vader in haar hand. Mirte schudt haar hoofd. Janey en Sam lopen snel de struiken achter het kastje in.
Karen loopt naar Mirte. Ze gaat naast haar staan en houdt haar het pakje shag voor. ‘Wil je?’ vraagt ze. Mirte kijkt haar aan alsof ze gek is geworden. ‘We moeten op Janey wachten,’ zegt ze.

Elkaar

Ze hebben elkaar een hand gegeven alsof ze elkaar niet kennen. Dit is wel de eerste keer dat ze zich aan elkaar voorstellen. Hij noemt haar de vrouw in het rood, omdat ze iedere dag wel iets roods aanheeft, een felrode sjaal, of hoed, rode schoenen en anders zit ze altijd nog op een rode fiets. Hij vraagt zich af hoe hij in haar hoofd heet. Ze hebben elkaar vaak genoeg begroet om niet te hoeven doen alsof ze de ander niet hebben opgemerkt. Ze kwamen elkaar tegen op de markt, in het buurthuis, een keer bij een lezing in de bibliotheek en vaak op straat, waar ze ieder een andere kant op gaan. Of zij of hij is begonnen met het groeten weet hij niet meer zeker. Maar ze zijn het steeds blijven doen. Als hij een keer met een vriend liep en haar groette, werd er altijd gevraagd wie ze was, en hij zei dan de buurvrouw. Ze was geen directe buurvrouw, maar ze woonde zeer waarschijnlijk wel in de buurt. Hij heeft wel eens overwogen om een praatje te maken, en ze hebben de groet ook langzaam uitgebreid. Van een lachje, naar een knikje, naar een ‘dag’ bij het passeren, naar een opgestoken hand wanneer de ander aan de andere kant van de straat loopt en sinds kort wenst hij haar een fijne dag of een fijn weekend.

Kliffen

Zijn vader heeft de foto zo genomen dat ze hem aan zijn moeder konden laten zien zonder berispt te worden. Otto hangt aan de rand van de klif. Zijn handen boven zijn hoofd uitgestrekt, zijn vingers omklemmen een boomwortel. Zijn vader had hem zo laten hangen terwijl hij om liep en er een tweede foto van maakte. Op de versie die in het fotoboek geplakt staat de smalle richel die op twee meter onder hem uitsteekt. Het lijkt alsof daar de grond al is. Zijn moeder zei zelfs dat het eigenlijk jammer was, hoe het nu zat, anders leek het veel avontuurlijker. Ze wist niet dat de berg terug helde, dat de richel maar veertig centimeter breed was en dat onder de voeten van Jacob zeker 30 meter niets was voor er scherp uitstekende rotsen waren om hem op te vangen als hij viel. Hij viel niet. Anders was de foto nooit in het boek geplakt.